Meer
Publicatiedatum: 13-06-2019

Inhoud

Programma onderdelen

Paragraaf financiering

Algemeen

Het doel van deze paragraaf is om de financiële positie op basis van het door de Raad vastgestelde treasurystatuut te evalueren. We streven naar de optimale financiering van de gemeentelijke inkomsten en uitgaven (op korte en lange termijn). Om deze treasury-functie te kunnen uitvoeren, kijken we naar de liquiditeits-ontwikkeling van de gemeente en de renteontwikkeling op de geld- en kapitaalmarkt in Nederland.

In het jaar 2018 waren de rentetarieven op de geldmarkt aanhoudend laag. In 2018 is veelvuldig gebruik gemaakt van de mogelijkheid kasgeldleningen af te sluiten.

Om vooral de financieringsrisico’s te beperken, staan in de Wet FIDO twee instrumenten: renterisiconorm en de kasgeldlimiet. Dit zijn de indicatoren voor het treasury-beleid.

 

Financiering

Onderstaande tabel geeft het effect weer van de reguliere aflossing op de gemiddelde rente van de leningenportefeuille. In 2018 is een nieuwe lening aangetrokken van € 5.000.000. Deze geldlening heeft een looptijd van 25 jaar en een vast rentepercentage van 1,44%. Na reguliere aflossingen (inclusief de aflossing van een fixe lening van € 3.000.000) bedraagt de gemiddelde rente van de leningenportefeuille per 31 december 2018: 2,56%. In de begroting was uitgegaan van een gemiddelde rente na reguliere aflossing van 2,50%.

 

 Mutaties in leningenportefeuille

Bedrag

Gemiddelde rente

Stand per 1 januari 2018 leningenportefeuille

36.385

2,87%

Nieuwe leningen

   5.000

 

Reguliere aflossingen

5.672

4,53%

Stand per 31 december 2018 leningenportefeuille

35.713

2,56%

 

Kasgeldlimiet

Ter beperking van het renterisico op de netto-vlottende schuld (schulden met een looptijd van minder dan één jaar) heeft de wetgever de kasgeldlimiet vastgesteld. Zo voorkomen we, dat fluctuaties van de korte rente direct een relatief grote impact hebben op de rentelasten tijdens het boekjaar.

De totale netto-vlottende schuld mag maximaal 8,5% van het totaal van de lasten van de jaarbegroting bij aanvang van het begrotingsjaar zijn. Voor 2018 betekent dit een toegestane kasgeldlimiet van € 6.092.000 (€ 71.670.000 x 8,5%). Uit het overzicht blijkt dat er in het verslagjaar in het 1e kwartaal sprake was van een overschrijding.

De kasgeldlimiet hebben we optimaal benut vanuit de gedachte dat rente van kortlopend geld (bijv. daggeld en kasgeld) vrijwel altijd lager is dan van langlopende leningen. In 2018 was evenals in 2017 zelfs sprake van negatieve rente.

In 2018 zijn, conform de richtlijnen in het treasurystatuut, diverse malen kortlopende geldleningen aangetrokken. De leningen hebben we steeds aangetrokken tegen een negatief rentepercentage van -/- 0,38%.

 

 

Kasgeldlimiet per kwartaal 2018

1e kwartaal

2e kwartaal

3e kwartaal

4e kwartaal

 

Omvang begroting per 1 januari 2018

  71.670

  71.670

  71.670

  71.670

 

 

 

 

 

 

1)

Toegestane kasgeldlimiet

 

 

 

 

 

- in procenten

8,5%

8,5%

8,5%

8,5%

 

- in bedrag

  6.092

    6.092

    6.092

    6.092

 

 

 

 

 

 

2)

Omvang vlottende korte schuld

 

 

 

 

 

- opgenomen gelden korter dan 1 jaar

4.500

3.000

1.667

0

 

- schuld in rekening-courant

2.000

  2.192

579

742

 

- gestorte gelden door derden korter dan 1 jaar

0

0

0

0

 

- overige geldleningen niet zijnde vaste schuld

0

0

0

0

 

 

6.500

5.192

2.246

742

3)

Vlottende middelen

 

 

 

 

 

- contante gelden in kas

0

0

0

0

 

- tegoeden in rekening-courant

223

62

30

731

 

- overige uitstaande gelden korter dan 1 jaar

0

0

0

0

 

 

       223

62

30

731

4)

Toets kasgeldlimiet

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal netto vlottende schuld (2-3)

6.277

5.130

2.216

11

 

Toegestane kasgeldlimiet (1)

6.092

6.092

6.092

6.092

 

Ruimte (+)/overschrijding (-); (1-4)

-185

962

3.876

6.081

 

Renterisiconorm

De renterisiconorm geeft het renterisico op de langere termijn weer. Hieronder vallen alle leningen met een rentetypische looptijd vanaf 1 jaar. Het doel is spreiding te creëren in de rentetypische looptijden in de leningenportefeuille.

De wettelijke renterisiconorm bepaalt dat jaarlijks maximaal 20% van het begrotingstotaal onderhevig mag zijn aan renteherziening en herfinanciering. Hiermee is een maximum gesteld aan het renterisico op de langlopende lening portefeuille.

Van renteherziening is sprake als in de leningsovereenkomst is bepaald dat de rente gedurende de looptijd in een bepaald jaar zal worden aangepast. Er zijn een drietal leningen met renteherziening.

Op een begrotingstotaal van € 71.670.000 bedraagt de renterisiconorm € 14.334.000.

In de berekening voor de begroting 2018 is het begrotingstotaal gehanteerd gebaseerd op de begroting 2017. Uit onderstaand overzicht blijkt dat de renterisiconorm in 2018 niet is overschreden, maar dat sprake was van een ruimte van € 8.662.000. Het afsluiten van de nieuwe lening van € 5.000.000 paste volledig binnen de renterisiconorm.

 

 

Renterisico vaste schuld over 2018

 

 

 

 Berekening (bedragen x € 1.000)

2018

2018

 

 

begroting

rekening

1

Renteherziening op vaste schuld o/g

0

0

2

Aflossingen

5.672

5.672

3

Renterisico

5.672

5.672

 

 

 

 

4

Renterisiconorm

13.200

14.334

5a

Ruimte onder renterisiconorm

7.528

8.662

5b

Overschrijding renterisiconorm

0

0

 

 

 

 

 

Berekening renterisiconorm

 

 

4a

Begrotingstotaal

66.000

71.670

4b

Het bij ministeriële regeling vastgestelde percentage

20%

20%

4

Renterisiconorm

13.200

14.334

 

Kredietrisiconorm

Onderstaande tabel geeft de risico’s weer die de gemeente Veere loopt op uitgeleende gelden. Het grootste risico vormt de geldlening verstrekt aan de Stichting Zeeuwland.

Deze lening weegt voor 71,53% in het totale kredietrisico. ‘Overige instellingen’ betreft de leningen die we via het Stimuleringsfonds Volkshuisvesting doorlenen aan starters en leningen in het kader van de stimuleringsregeling woningverbetering.

 

Risicogroep

Hypothecaire zekerheid

Restant schuld in € 1.000

%

 

 

 

 

Lokale verenigingen/stichtingen

neen

10

0,19

Overige instellingen

ja/neen

1.467

28,26

Personeel

ja

0

0,00

Personeel

neen

1

0,02

Woningcorporaties

neen

3.713

71,53

 

 

 

 

Totaal

 

4.879

100,00

 

Schatkistbankieren

Bij de wet van 11 december 2013 tot wijziging van de Wet financiering decentrale overheden zijn decentrale overheden verplicht hun overtollige liquide middelen aan te houden in ’s Rijks schatkist.

 

Deelname van de decentrale overheden aan schatkistbankieren draagt bij aan een lagere EMU-schuld van de collectieve sector (Rijk en decentrale overheden gezamenlijk). Een belangrijk gevolg van deelname aan schatkistbankieren is een verdere vermindering van de beleggingsrisico’s waaraan decentrale overheden worden blootgesteld.

 

Uit doelmatigheid is in de Wet een drempelbedrag opgenomen. Hiermee kan een gemeente een bepaald bedrag buiten de schatkist houden. Tot een begrotingstotaal van € 500 miljoen is het drempelbedrag bepaald op 0,75% met een minimum van € 250.000.

Voor Veere gold als drempel in 2018: 0,75% x € 71.670.000 = € 537.530.

 

Renteschema

Op basis van het gestelde in de notitie Rente van de commissie BBV nemen we in deze paragraaf het renteschema op. Uit dit schema blijkt wat de totale rentelasten en –baten zijn geweest in 2018, welke rente we toerekenen aan de grondexploitaties en de taakvelden én wat het renteresultaat op het taakveld treasury is.

Verder maken we inzichtelijk wat ons omslagpercentage is en wat de procentuele afwijking is ten opzichte van het begrote omslagpercentage.

 

Renteschema

a.

De externe rentelasten over de korte en lange financiering

     

 €        1.043.849

b.

De externe rentebaten (idem)

   

-/-

 €            158.368

           
 

Saldo rentelasten en baten

     

 €            885.482

           

c1.

De rente die aan de grondexploitatie moet worden toegerekend

-/-

 €        75.071

   

c2.

De rente van projectfinanciering die aan het betreffende taakveld moet worden toegerekend

-/-

 €                   -

   

c3.

De rentebaat van doorverstrekte leningen indien daar een specifieke lening voor is aangetrokken (=projectfinanciering), die aan het betreffende taakveld moet worden toegerekend

+

 €                   -

   
           
 

Aan taakvelden toe te rekenen externe rente

     

 €            -75.071

           

d1.

Rente over eigen vermogen

 

+

 

 €                         -

d2.

Rente over voorzieningen

 

+

 

 €                         -

   

 

     
 

Totaal aan taakvelden toe te rekenen rente

 

   

 €            810.410

   

 

     

e.

De aan taakvelden toegerekende rente (renteomslag 1,5% afgerond)

 

-/-

 

 €            885.399

           

f.

Renteresultaat op het taakveld Treasury

     

 €            -74.989

 

Nb. De grondslag voor de toe te rekenen rente aan grondexploitaties en taakvelden zijn de boekwaarden per 1 januari 2018.

 

Omslagrente

De omslagrente berekenen we door de aan de taakvelden toe te rekenen rente (in Euro’s) te delen door de boekwaarde per 1 januari van de vaste activa die integraal zijn gefinancierd. Het bij de begroting (voor)gecalculeerde omslagrentepercentage, 1,23%, hebben we binnen de toegestane marge van 0,5% afgerond naar 1,5%.

 

Bij de jaarrekening toetsen we in hoeverre de werkelijke rentelasten in Euro’s die we aan de taakvelden moeten doorbelasten afwijken van de rentelasten in Euro’s die op basis van de voorgecalculeerde renteomslag aan de taakvelden zijn toegerekend. Correctie is verplicht gesteld indien deze afwijking groter is dan 25%. Onze afwijking blijft met 9,25% ruim binnen de 25%, waardoor we er voor hebben gekozen geen correctie aan te brengen.

 

Toetsing werkelijke rente

     

Totaal aan taakvelden toe te rekenen rente

 

 €            810.410

 

De aan taakvelden toegerekende rente (renteomslag 1,5% afgerond)

-/-

 €            885.399

 
       

Verschil tussen toe te rekenen en toegerekende rente

 

 €            -74.989

-9,25%