Meer
Publicatiedatum: 15-06-2018

Inhoud

Programma onderdelen

1. Financieel meerjarenperspectief

In dit hoofdstuk zetten wij uiteen in welke stappen we van de programmabegroting 2016 tot een financieel kader zijn gekomen voor de meerjarenraming 2017 - 2020.

1. Financieel meerjarenperspectief

In dit hoofdstuk zetten wij uiteen in welke stappen we van de programmabegroting 2016 tot een financieel kader zijn gekomen voor de meerjarenraming 2017 – 2020.

In paragraaf 1.1 schetsen we het vertrekpunt vanuit de programmabegroting 2016.

In paragraaf 1.2 zijn de uitgangspunten voor de begroting 2017 en de meerjarenramingen 2018-2020 opgenomen.

In paragraaf 1.3 zijn weergegeven:

  • het (structurele) saldo in de begroting/ meerjarenramingen op basis van de uitgangspunten;
  • de lasten van de nieuwe prioriteiten van het uitvoeringsprogramma voor 2017-2020 (structureel);
  • het nadelig saldo dat ontstaat en waarvoor dekking aangegeven moet worden om tot een reëel en structureel sluitende meerjarenraming te komen;
  • de nieuwe incidentele uitgaven uit het uitvoeringsprogramma, te dekken uit (bestemmings)reserves.

1.1 Programmabegroting 2016

1.1 Programmabegroting 2016

In de begroting 2016 was er voor de jaren 2017 tot en met 2019 sprake van een structureel en reëel sluitende begroting. Er was zelfs sprake van een structureel overschot. Zie de tabel hieronder. Hieraan is geen structurele bestemming gegeven. Het positieve saldo is gereserveerd voor de mogelijke gevolgen van de herziening van de verslaggevingsregels grondexploitatie en de invoering van de vennootschapsbelasting (Vpb).

 


Op basis van voorlopige berekeningen komen we tot de conclusie dat deze ruimte toereikend is en hiervoor beschikbaar moeten houden. Dit betekent dat het vertrekpunt voor de begroting 2017 (meerjarenramingen 2018-2020) een saldo van nihil is.

Voor meer toelichting verwijzen wij u naar pagina 6 van de programmabegroting 2016 (http://veere.raadsinformatie.nl/document/2578023/1) en pagina 4 tot en met 9 van de financiële begroting 2016 (http://veere.raadsinformatie.nl/document/2566182/1) .

 

 

1.2 Financiële uitgangspunten 2017-2020

1.2 Financiële uitgangspunten 2017-2020

Algemeen
De begroting 2017 stellen we in principe op tegen lopende prijzen. De meerjarenramingen (2018-2020) stellen we op tegen constante prijzen.

Herziening BBV
De begroting 2017 en de meerjarenramingen 2018 - 2020 stellen we op volgens het Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV), inclusief de wijzigingen in BBV die van toepassing zijn met ingang van de begroting 2017.

In hoofdlijnen gaat het om het volgende:

  • Uniforme indeling in taakvelden
  • Uniforme basis set beleidsindicatoren
  • Financiële kengetallen (al ingevoerd in 2016)
  • Verbeterde informatie over verbonden partijen
  • Inzicht in overhead en kosten
  • Aanpassingen in stelsel baten en lasten
  • VPB-plicht.

De indeling van de begroting in taakvelden is eerder al besproken met de auditcommissie van de gemeenteraad. Vanuit deze commissie is de aanbeveling gedaan om de indeling van taakvelden en bijbehorende hoofdstukindeling te volgen. De gemeenteraad heeft op 10 maart jl. hierover al een principebesluit genomen.

Daarnaast heeft de commissie BBV over enkele onderwerpen notities uitgebracht.
De consequenties van de notities over (1) de grondexploitaties en (2) het grondbeleid komen aan de orde in hoofdstuk 4.
De gevolgen van de notities over (3) rente en (4) overhead werken we uit in de begroting 2017. 

Indexering materiële en subsidiebudgetten 
Voor de materiele en subsidiebudgetten rekenen we voor 2017 met een index voor inflatie van 1,2%. Dit is de door het CPB gepubliceerde index voor 2017 (prijs overheidsconsumptie netto materieel (IMOC, %)).

Gemeenschappelijke regelingen
In VZG-verband is met betrekking tot de gemeenschappelijke regelingen voor 2017 vastgesteld:

  1. De richtlijn voor de begroting 2017 is 1%: dat is de toegestane stijging van de bijdrage aan de GR in verband met inflatieontwikkeling;
  2. De bezuinigingsrichtlijn voor 2017 is -2%: dit is het laatste jaar dat de generieke korting van 2% per jaar wordt doorgezet. Het bestuur van een GR kan altijd een verzoek doen aan deelnemende gemeenten om te mogen afwijken op basis van een goede inhoudelijke onderbouwing.

Personeelslasten
De looptijd van de CAO is tot en met 30 april 2017. In de ramingen houden we rekening met de generieke salarismutatie van 3% per 1-1-2016 en 0,4% per 1 januari 2017.
Voor 2017 ramen we aanvullend (voor de periode 1-5-2017 tot en met 31-12-2017) een stijging van de loonkosten met 1,5%. Uitgangspunt is de formatie per 1 april 2016 (na verwerking van de personele taakstelling 2016).

Capaciteit
Voor het opstellen van de primitieve begroting 2017 gaan we uit van de vastgestelde formatie. Uitgangspunt is dat er bij gebrek aan capaciteit, zowel kwantitatief als kwalitatief, de kosten van extra inhuur in de totale kosten van het betreffende project/werk worden meegenomen.

Algemene uitkering
Op basis van de decembercirculaire 2015 en de meicirculaire 2016 verwerken we een hogere uitkering. De specificatie is als volgt.

Cluster VHROSV
Vorig jaar was er een onderzoek naar een alternatieve verdeling van het sub-cluster Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening en Stedelijke Vernieuwing aangekondigd. Inmiddels is er een onderzoek afgerond naar het uitgavenniveau van de gemeenten binnen dit cluster. De vraag is daarbij aan de orde of de middelen in het Gemeentefonds voor dit onderdeel anders zouden moeten worden verdeeld. De minister heeft aangegeven deze uitkomsten op zijn merites te willen beoordelen, alvorens hier definitieve conclusies aan te verbinden ten aanzien van de verdeling van de algemene uitkering. Gelet op het advies van de Raad voor de financiële verhoudingen (Rfv) en de aangenomen motie op het VNG-congres ramen we met ingang van 2017 het volledige bedrag (= € 33 per inwoner); in de begroting 2016 was 1/3 deel ervan verwerkt in de algemene uitkering. Vanaf 2017 ramen we het resterende deel (2/3 = € 22 per inwoner).

Uitwerkingsakkoord Verhoogde Asielstroom
Het Rijk en de VNG hebben een akkoord gesloten over de vergoeding van de extra kosten voor de verhoogde asielinstroom (vergunninghouders) op het gebied van werk, integratie, onderwijs en zorg. De middelen zullen aan de gemeenten ter beschikking worden gesteld in de vorm van een decentralisatie-uitkering, die wordt uitgekeerd naar rato van het daad-werkelijke aantal geplaatste vergunninghouders in de desbetreffende gemeente. Hiertoe vindt een uitname plaats uit het Gemeentefonds van € 54 miljoen in 2016 en € 190 miljoen in 2017. Dit nadelige effect wordt evenredig over alle gemeenten verdeeld. Een gemeente die naar verhouding meer asielzoekers opneemt heeft hiervan een financieel voordeel en een gemeente die naar verhouding minder asielzoekers opneemt heeft hiervan per saldo een nadeel. Daar staat wel tegenover dat gemeenten extra kosten zullen moeten maken voor de opvang van asielzoekers.

Sociaal Domein
De Integratie-uitkering Sociaal Domein bevat de middelen voor Jeugdzorg, Participatiewet en de nieuwe Wmo-taken. Het bedrag voor 2016 is € 10,0 miljard (36% van het Gemeente-fonds). Ook deze middelen zijn niet geoormerkt, maar vrij besteedbaar.

Naast enkele kleinere mutaties komt er voor het sociaal domein een bedrag van € 160 miljoen extra beschikbaar als gevolg van de loon- en prijsbijstelling. Op het totale budget van ongeveer € 10 miljard betekent dit een verhoging van afgerond 1,6% voor loon- en prijsbijstellingen. Anders dan vorig jaar is er nu geen sprake van stelselherzieningen, waardoor herverdeeleffecten uitblijven. De uitkering voor 2017 is inmiddels definitief, waardoor er voor gemeenten enige stabiliteit gecreëerd wordt. Desondanks moeten gemeenten nog wel rekening houden met het feit dat de vergoeding voor het sociaal domein de komende jaren zal dalen: van € 10 miljard in 2016 naar € 9,4 miljard in 2021. Deze daling was in eerdere circulaires al aangekondigd en verwerkt. De effecten voor Veere zijn als volgt:


Bezuinigingen
Van de bezuinigingstaakstelling op basis van het coalitieprogramma loopt. Voor de meest recente stand van zaken verwijzen we naar de 1e bestuursrapportage 2016. De belangrijkste nog openstaande taakstellingen zijn de taakstelling op het accommodatiebeleid en de personele taakstelling. Hiermee willen we in de begroting 2017 en de meerjarenramingen anders omgaan. Voor een toelichting verwijzen we naar het raadsvoorstel.

Belastingen en overige inkomsten
De algemene index voor belastingen en overige inkomsten voor 2017 is 1,2%. De belastingen waarvoor een uitzondering geldt zijn hieronder toegelicht.

Afvalstoffenheffing
Het beleid ten aanzien van de afvalstoffenheffing is dat we streven naar 100% kostendekking. Dit betekent dat we de kapitaallasten van nieuwe investeringen en de hogere exploitatielasten (incl. BTW) in de tarieven doorberekenen op grond van de investeringsplanning.
De voorziening afvalstoffenheffing heeft als functie om, zolang 100% kostendekking nog niet is bereikt en de voorziening toereikend is, het verschil te dekken tussen de lasten (inclusief rente en BTW) en baten van de afvalinzameling en –verwerking. De stand van de voorziening bedraagt per 1-1-2017: € 415.000.

Rioolheffing
Met betrekking tot de rioolheffing is het uitgangspunt om 100% kostendekking te bereiken in 2019.
Het beleid ten aanzien van het rioolrecht is dat in ieder geval de kapitaallasten van nieuwe investeringen en de hogere exploitatielasten (incl. BTW) in de tarieven doorberekenen op grond van de investeringsplanning. De investeringsvolumes zijn gebaseerd op het rioolbeheerplan.
In de begroting 2016 is al gerekend met een gelijkmatige stijging naar volledige kostendekkende tarieven in 2019. Voor de jaren 2017 tot en met 2019 is een extra stijging gepland van respectievelijk 3%, 2,7% en 1%. Deze percentages worden nog lager als de kapitaallasten van de geplande investeringen tegen een lager rentepercentage worden berekend.

Toeristenbelasting
De verhogingen van het tarief toeristenbelasting (zoals afgesproken in het coalitie-programma) zijn aanvankelijk ingeboekt in de begroting in 2015 (€ 0,10) en 2016 (€ 0,05). De laatste verhoging is in de begroting 2016 doorgeschoven naar 2017 omdat de verwachte inflatie onvoldoende was om € 0,05 te sparen. De verwachte inflatie voor 2017 is 1,2% en is voldoende om de verhoging van € 0,05 in 2017 door te voeren.
Over de inflatiecorrectie op de toeristenbelasting is met de sector een afspraak gemaakt. Het jaar 2013 geldt als basisjaar voor nieuwe indexeringen. We hanteren de prognose index Prijs Overheidsconsumptie (publicatie van het CPB). Omdat we met afgeronde tarieven willen blijven werken, verhogen we de tarieven met € 0,05 wanneer dit peil door cumulatieve indexering (zonder afronding) is bereikt.

Precariobelasting
De raad heeft eerder al besloten om met ingang van 2016 precariobelasting te gaan heffen op kabels en leidingen in openbare gemeentegrond. De opbrengst zou gebruikt worden om de Veerse burgers/belastingplichtigen te compenseren voor de hogere kosten omdat netbeheerders de precariobelasting, geheven door Zeeuwse gemeenten, integraal gaan doorberekenen aan hun klanten.
Ook is door de raad besloten om de opbrengst van deze belasting te reserveren totdat de aanslagen onherroepelijk vaststaan. Er bestaat een kans dat de netbeheerders in bezwaar en beroep gaan tegen deze aanslagen. In dat geval zal er pas in 2017 en waarschijnlijker pas in 2018 duidelijkheid zijn. Daarna kan pas de compensatie aan de burgers plaatsvinden. Over de wijze van compenseren komen we tijdig met een voorstel.  

Reserves en voorzieningen
Ten aanzien van de reserves en voorzieningen gelden de bepalingen in het BBV en de nota reserves en voorzieningen 2015. Aan reserves rekenen we geen rente toe. Voorzieningen brengen we indien nodig op het voor de bestemming van de voorziening benodigde peil.

In de begrotingscirculaire 2017-2020 hanteert Gedeputeerde Staten als toezichthouder geen algemene richtlijn (normbedrag) voor de minimale omvang van de algemene reserve. In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing moet een onderbouwing komen van de benodigde weerstandscapaciteit.

Weerstandsvermogen
In het kader van de jaarrekening 2015 zijn de risico’s het meest recent in beeld gebracht. Deze schatten we nu in op maximaal € 4,1 miljoen. Dit is inclusief de risico’s in de grondexploitaties. De ratio weerstandsvermogen is berekend op 4,3 (jaarrekening 2015). De laatste prognose is dat deze ratio daalt naar 3,7 in 2020. Daarbij hebben we rekening gehouden met de dekking uit reserves van nu voorgestelde prioriteiten. Bij het opmaken van de begroting schatten we de risico’s opnieuw in.

We hanteren als uitgangspunt een streefnorm voor de ratio weerstandsvermogen van 1,4 – 2,0. Dit betekent dat we een weerstandscapaciteit (algemene reserve, bestemmingsreserves en onvoorzien) moeten aanhouden van maximaal € 8,2 miljoen. Het meerdere kunnen we (theoretisch) als financiële ruimte beschouwen.

Uit voorzichtigheid laten we dekkingsreserves buiten beschouwing en nemen we van de ruimte die resteert 50% = afgerond € 3,4 miljoen als incidentele ruimte voor de periode 2017-2020.

Autonome ontwikkelingen
Uit de analyse van de jaarrekening 2015 en de 1e bestuursrapportage 2016 blijken er autonome ontwikkelingen die structureel zijn. Op basis hiervan en het uitgangspunt om scherper te ramen in de begroting, verwerken we in de begroting 2017 en de meerjarenramingen 2018-2020 de volgende posten:

  1. We ramen een hogere opbrengst toeristenbelasting van afgerond € 400.000 in verband met autonome groei; we baseren de raming op het aantal overnachtingen in 2015: 4.230.000.
  2. We ramen een hogere opbrengst parkeerheffingen van € 300.000. Deze autonome groei baseren we op het gemiddelde over 2014 en 2015.
  3. Het voordeel op de bijdrage GR Orionis is volgens het voorstel bij de 1e begrotings-wijziging 2016: oplopend van € 100.000 in 2017 naar € 187.000 in 2019.
  4. In de begroting 2016 is een voorstel gedaan over het rentebeleid. De uitwerking ervan betekent een voordeel op de rentekosten. Dit voordeel is destijds gereserveerd. Aangezien het structureel van aard is brengen we dit nu in de begroting. Daarnaast hebben we te maken met ontwikkelingen die gunstig zijn voor de marktrente en krijgen we binnen 4 jaar nog gelegenheid om voordelig te herfinancieren. Dit betekent een ruimte van € 566.000 in 2017 oplopend naar € 868.000 in 2020.

1.3 Meerjarenperspectief 2017-2020

1.3 Meerjarenperspectief 2017-2020

De meerjarenramingen voor 2017 tot en met 2020 zijn geactualiseerd op basis van de uitgangspunten in paragraaf 2.2. Het resultaat hiervan geeft in de volgende tabel het saldo op basis van de uitgangspunten (A). Voor een specificatie zie bijlage I.

Ook hebben we de prioriteitenplanning geactualiseerd op grond van bestaand beleid, autonome ontwikkelingen en bestaande afspraken. De nieuwe prioriteitenplanning is opgenomen als bijlage II. Een inhoudelijke toelichting op de wijzigingen treft u hierna aan in hoofdstuk 2 (uitvoeringsprogramma 2017 - 2020).

De financiële gevolgen van de prioriteiten splitsen we in:

  1. Structurele lasten, bestaande uit hogere exploitatie uitgaven en kapitaallasten (rente en afschrijving) van investeringen;
  2. Incidentele lasten, te dekken uit incidentele ruimte.

Het resultaat van onderdeel I (structurele lasten) is als volgt. 



Binnen dit financieel kader kunnen we van het uitvoeringsprogramma tot en met 2020 alle opgevoerde prioriteiten uitvoeren. Er is zelfs sprake van een overschot in van € 325.000 in 2017 en van € 250.000 vanaf 2018. Voor ons voorstel op dit punt verwijzen we naar het raadsvoorstel.

Het resultaat van onderdeel II (incidentele lasten) is als volgt. 


In totaliteit plannen we € 1,8 miljoen voor incidentele prioriteiten in de periode tot en met 2020. Het voorstel is om deze kosten te dekken uit de algemene reserve. Het weerstandsvermogen biedt hiervoor voldoende ruimte. Als we rekening houden met deze geplande uitgaven komt het weerstandsvermogen uit op een ratio van 3,4 in 2020. Zie ook hoofdstuk 2.2 (weerstandsvermogen).

Naast de algemene reserve doen we ook nog een beroep op de reserve grondbedrijf en de reserve bovenwijkse voorzieningen tot een bedrag van € 2,2 miljoen.