Meer
Publicatiedatum: 01-11-2019

Inhoud

Programma onderdelen

1. Financieel meerjarenperspectief

In dit hoofdstuk zetten wij uiteen in welke stappen we van de programmabegroting 2017 tot een financieel kader zijn gekomen voor de meerjarenraming 2018 - 2021.

1. Financieel meerjarenperspectief

Deze kadernota en de komende begroting staan in het teken van het doorzetten en afronden van het beleid uit coalitieprogramma 2014 – 2018. Hierin is een belangrijk financieel kader aangegeven voor wat betreft het nieuw beleid en de bezuinigingen voor de jaren tot en met 2019. Met deze kadernota actualiseren we het financieel meerjarenperspectief voor de jaren 2018 tot en met 2021.

In de vorige meerjarenramingen was al financiële ruimte gecreëerd voor 2018 e.v.. In deze kadernota zien we mogelijkheden om in de lijn van het coalitieprogramma extra financiële ruimte te vinden om het beleid te intensiveren en de ambities te realiseren.

In dit hoofdstuk zetten wij uiteen in welke stappen we van de programmabegroting 2017 tot een financieel kader zijn gekomen voor de meerjarenraming 2018 – 2021.

In paragraaf 1.1 schetsen we het vertrekpunt vanuit de programmabegroting 2017.

In paragraaf 1.2 zijn de uitgangspunten voor de begroting 2018 en de meerjaren-ramingen 2019-2021 opgenomen.

In paragraaf 1.3 zijn weergegeven:

  • het (structurele) saldo in de begroting/ meerjarenramingen op basis van de uitgangspunten;
  • de lasten van de nieuwe prioriteiten van het uitvoeringsprogramma voor 2018-2021 (structureel); 
  • het saldo dat ontstaat in de meerjarenramingen;
  • de nieuwe incidentele uitgaven uit het uitvoeringsprogramma, te dekken uit (bestemmings)reserves.

In hoofdstuk 2 is het uitvoeringsprogramma per programma toegelicht.

In hoofdstuk 3 lichten we twee actuele onderwerpen specifiek toe: precariobelasting op kabels en leidingen en de problematiek met betrekking tot de objectafbakening bij de  afvalstoffenheffing en de rioolheffing.

1.1 Programmabegroting 2017

1.1 Programmabegroting 2017

In de begroting 2017 was er voor de jaren 2018 tot en met 2020 sprake van een structureel en reëel sluitende begroting. Er was zelfs sprake van een structureel overschot. Zie de tabel hieronder. Hieraan is geen structurele bestemming gegeven en betekent nu financiële ruimte voor de komende begroting.

 

 

2018

2019

2020

2021

 Vertrekpunt kadernota 2017

 Saldo meerjarenramingen begroting 2017

 

  172 

 

 206

 

 219

 

 219

Tabel 1: Saldo vertrekpunt kadernota 2017 (x € 1.000)

Voor meer toelichting verwijzen wij u naar het begrotingsbeeld in de programmabegroting 2017 (kopje financieel) en pagina 4 tot en met 8 van de financiële begroting 2017 (zie knop 'meer' rechts in het scherm).

1.2 Financiële uitgangspunten 2018-2021

1.2 Financiële uitgangspunten 2018-2021

Algemeen
De begroting 2018 stellen we in principe op tegen lopende prijzen. De meerjarenramingen (2019 -2021) stellen we op tegen constante prijzen.

Besluit Begroting en Verantwoording provincies en gemeenten (BBV)
De begroting 2018 en de meerjarenramingen 2019 - 2021 stellen we op volgens het (BBV), inclusief de wijzigingen die met ingang van de begroting 2017 zijn doorgevoerd. In hoofdlijnen gaat het om het volgende: uniforme indeling in taakvelden, uniforme basis set beleidsindicatoren, financiële kengetallen, verbeterde informatie over verbonden partijen, inzicht in overhead en kosten, aanpassingen in stelsel baten en lasten en de VPB-plicht.

Indexering materiële en subsidiebudgetten
Voor de materiele en subsidiebudgetten rekenen we in principe voor 2018 met een index voor inflatie van 1,6%. Dit is de door het CPB gepubliceerde index voor 2018 (prijs overheidsconsumptie netto materieel (IMOC, %)).
Voor 2018 zien we met betrekking tot de materiele budgetten af van een algemene indexatie. Dit levert een structurele ruimte op van € 150.000. Voor het oplossen van knelpunten ramen we € 35.000.

Gemeenschappelijke regelingen
In VZG-verband is met betrekking tot de gemeenschappelijke regelingen voor 2018 vastgesteld:

  1. De richtlijn voor de begroting 2018 is 0,9%: dat is de toegestane stijging van de bijdrage aan de GR in verband met inflatieontwikkeling;
  2. De bezuinigingsrichtlijn voor 2018 is 0%.

Personeelslasten
Op basis van deze CAO is in de ramingen voor 2017 rekening gehouden 0,4% per 1-1-2018 en 1,1% per 1 april 2017. Het laatstgenoemde percentage had 1,5% moeten zijn, maar is per abuis onjuist verwerkt. De correctie van het verschil (0,4%) nemen we nu mee voor 2018.
Voor 2018 ramen we aanvullend (voor de periode 1-1-2018 tot en met 31-12-2018) een stijging van de loonkosten van 1,6%; uitgangspunt hierbij is de inschatting van 1,5% voor de gevolgen van een nieuwe CAO en 0,1% voor stijging van werkgevers-lasten. De totale stijging voor 2018 komt hiermee op 2,0%.  
Uitgangspunt is de formatie per 1 april 2017.  

Capaciteit/flexibele schil
Voor het opstellen van de primitieve begroting 2018 gaan we uit van de vastgestelde formatie. Uitgangspunt is dat er bij gebrek aan capaciteit, zowel kwantitatief als kwalitatief, de kosten van extra inhuur in de totale kosten van het betreffende project/werk worden meegenomen.

Rente en afschrijving
Voor activeren van investeringen en het ramen van rente- en afschrijvingslasten gelden de bepalingen in het (gewijzigde) Besluit Begroting en Verantwoording (BBV) en de betreffende bepalingen in de financiële verordening 2017. Met ingang van 2017 geldt de verplichting om alle nieuwe investeringen te activeren. De afschrijvingsrichtlijn hiervoor is opgenomen in de financiële verordening 2017.

Met het afschrijven op een investering starten we in het algemeen met ingang van 1 januari van het jaar volgend op de realisatie (gereed melden) van een investering. In de begroting ramen we kapitaallasten met ingang van het jaar volgend op het jaar dat de investering is gepland.

Volgens de ‘notitie rente’ van de commissie BBV gelden de volgende uitgangspunten:

  1. Over eigen financieringsmiddelen berekenen we geen bespaarde rente;
  2. Voor het toerekenen van rente aan taakvelden passen we een renteomslag toe op basis van de gemiddelde rentevoet over geleend geld;
  3. Voor de financiering van nieuwe kapitaaluitgaven hanteren we in principe de verwachte marktrente voor het begrotingsjaar; voor 2018-2021 is deze rente vastgesteld op 1,5%;
  4. Voor de grondexploitaties is voor de rentetoepassing de notitie grondexploitaties van de commissie BBV leidend.

Algemene uitkering
De algemene uitkering baseren we op de meicirculaire 2017. Verder passen we de uitkering aan voor 2018 met de uitkeringsfactor tegen lopende prijzen en actualiseren we de volumegegevens voor 2017 (zoals inwoners, verblijfsobjecten met woonfunctie en recreatiefunctie, bijstandsontvangers, IOAW, IOAZ e.d.).

 

Algemene uitkering

2018

2019

2020

2021

Meicirculaire 2017

€ 16.870

€ 17.061

€ 17.143

€ 17.092

In meerjarenraming

€ 16.520

€ 16.450

€ 16.520

€ 16.520

Totaal

€      351

€      611

€      624

€      572

Tabel 2: mutatie algemene uitkering 2018 - 2021  (x € 1.000)

De meicirculaire 2017 is beleidsarm omdat de kabinetsformatie verre van afgerond is. Toch is er een positief beeld ten opzichte van de vorige circulaire en de meerjaren-ramingen. Het voordeel is voor ca. 2/3 deel veroorzaakt door inflatieontwikkelingen.

Sociaal Domein
Voor de budgetten in het Sociaal Domein gelden de volgende uitgangspunten:

  • De oude WMO (vanaf 2007) baseren we op de bestaand beleid en bestaande gemeentelijke uitgaven-budgetten;
  • De nieuwe WMO (vanaf 2015): de uitgaven baseren we op de meest recente informatie over de integratie-uitkering sociaal domein (onderdeel WMO nieuw);
  • Jeugdzorg: de uitgaven baseren we op de meest recente informatie over de integratie-uitkering sociaal domein (onderdeel Jeugdzorg);

In de 4e kwartaalrapportage 2016 Sociaal Domein Walcheren zijn de begroting 2017 en de meerjarenramingen 2018 - 2020 voor Veere uitgewerkt. Deze ramingen nemen we over in de eigen begroting.
De reserve WMO/Jeugdzorg dient als risico-reserve met een limiet van in principe € 1,2 miljoen.

 

Sociaal domein

2018

2019

2020

2021

WMO oud

€ 1.477

€ 1.477

€ 1.489

€ 1.550

WMO 2015

€ 2.326

€ 2.300

€ 2.310

€ 2.306

Jeugdwet

€ 2.857

€ 2.857

€ 2.878

€ 2.894

Participatiewet

€ 1.284

€ 1.218

€ 1.161

€ 1.135

Totaal

€ 7.944

€ 7.852

€ 7.838

€ 7.888

In meerjarenraming

€ 7.803

€ 7.713

€ 7.803

€ 7.803

Totaal

€    141

€    139

€      35

€      86

Tabel 3: mutatie integratie uitkering sociaal domein 2018 - 2021  (x € 1.000)

De uitkering voor het sociaal domein stijgt structureel in verband met compensatie voor gestegen kosten als gevolg van inflatie, voor volumegroei en voor extra-muralisering in het kader van de Wmo. Voor de participatiewet en de jeugdwet verwerken we de eerder aangekondigde korting op de rijksuitkering.

Belastingen en overige inkomsten
De algemene index voor belastingen en overige inkomsten voor 2018 is 1,6%. De belastingen waarvoor een uitzondering geldt zijn hieronder toegelicht.

Afvalstoffenheffing
Het beleid ten aanzien van de afvalstoffenheffing is dat we streven naar 100% kostendekking. Dit betekent dat we de kapitaallasten van nieuwe investeringen en de hogere exploitatielasten (incl. BTW) in de tarieven doorberekenen op grond van de investeringsplanning.
De voorziening afvalstoffenheffing heeft als functie om, zolang 100% kostendekking nog niet is bereikt en de voorziening toereikend is, het verschil te dekken tussen de lasten (inclusief rente en BTW) en baten van de afvalinzameling en –verwerking. De stand van de voorziening bedraagt per 1-1-2018: € 420.000. Zie ook hoofdstuk 3.

Rioolheffing
Met betrekking tot de rioolheffing is het uitgangspunt om 100% kostendekking te bereiken in 2019.
Het beleid ten aanzien van het rioolrecht is dat we de kapitaallasten van nieuwe investeringen en de hogere exploitatielasten (incl. BTW) in de tarieven doorberekenen op grond van de investeringsplanning. De investeringsvolumes zijn gebaseerd op het rioolbeheerplan.
In de begroting 2017 is al gerekend met een gelijkmatige stijging naar volledige kostendekkende tarieven in 2019. Voor de jaren 2018 tot en met 2019 is een extra stijging gepland van respectievelijk 1,5% en 1%.
Het waterschap Scheldestromen keerde tot 2016 een stimuleringsbijdrage (veiligheid en infrastructurele werken) uit aan de Zeeuwse gemeenten. Dit was een compensatie voor de precariobelasting die het waterschap van gemeenten heft. Nu de Zeeuwse gemeenten ook zijn overgegaan tot het heffen van precariobelasting op kabels en leidingen, heeft het bestuur van het waterschap besloten om de stimuleringsbijdrage (€ 29.000) in te trekken. We betrekken dit bij de berekening van het tarief voor 2018. Zie ook hoofdstuk 3.

Toeristenbelasting
Over de inflatiecorrectie voor de toeristenbelasting is met de sector een afspraak gemaakt. Het jaar 2013 is het basisjaar voor nieuwe indexeringen. We hanteren de prognose index Prijs Overheidsconsumptie (publicatie van het CPB). Omdat we met afgeronde tarieven willen blijven werken, verhogen we de tarieven met € 0,05 wanneer dit peil door cumulatieve indexering (zonder afronding) is bereikt. In 2017 is op basis van deze afspraak een verhoging in verband met inflatiecorrectie doorgevoerd (van € 1,20 naar € 1,25 p.p.p.n).
Als we kijken naar de realisatie over 2016 zien we een groei in het aantal overnachtingen van 4,3% ten opzichte van 2015. Op basis van deze autonome ontwikkeling verhogen we de geraamde opbrengst toeristenbelasting met € 220.000. 

Reserves en voorzieningen
Ten aanzien van de reserves en voorzieningen gelden de bepalingen in het BBV en de nota reserves en voorzieningen 2015. Aan reserves rekenen we geen rente toe. Voorzieningen brengen we indien nodig op het voor de bestemming van de voorziening benodigde peil.

In de begrotingscirculaire 2018 -2021 hanteert Gedeputeerde Staten als toezichthouder geen algemene richtlijn (normbedrag) voor de minimale omvang van de algemene reserve. In de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing moet een onderbouwing komen van de benodigde weerstandscapaciteit.

Weerstandsvermogen
In het kader van de jaarrekening 2016 zijn de risico’s het meest recent in beeld gebracht. Deze schatten we nu in op maximaal € 3,6 miljoen. Dit is inclusief de risico’s in de grondexploitaties. De ratio weerstandsvermogen is berekend op 5,9 (jaarrekening 2016). De laatste prognose is dat deze ratio daalt naar 4,9 in 2021. Daarbij hebben we rekening gehouden met de dekking uit reserves van nu voorgestelde prioriteiten. Bij het opmaken van de begroting schatten we de risico’s opnieuw in.

 

Weerstandscapaciteit

2017

2018

2019

2020

2021

A. Geraamd (gemiddeld)

21.217

18.623

18.061

17.737

17.696

B. Benodigd o.b.v. risicoprofiel

C. Benodigd bij streefnorm

  3.569

  7.141

  3.571

  7.162

  3.581

  7.148

  3.568

  7.136

  3.576

  7.152

Ruimte (A - C) x 25%

 

 

 

 

  2.636

Ratio weerstandsvermogen (B/A)

5,9

5,2

5,1

5,0

4,9

Tabel 4:  weerstandscapaciteit (bedragen x € 1.000)

We hanteren als uitgangspunt een streefnorm voor de ratio weerstandsvermogen van 1,4 – 2,0. Dit betekent dat we een weerstandscapaciteit (algemene reserve,  bestem-mingsreserves en onvoorzien) moeten aanhouden van ca. € 7,2 miljoen in 2021. Het surplus kunnen we (theoretisch) als financiële ruimte beschouwen. We nemen van de ruimte die resteert 25% = afgerond € 2,6 miljoen als incidentele ruimte voor de periode 2018 - 2021.

Autonome ontwikkelingen en overige onderwerpen

Parkeren
De opbrengsten met betrekking tot parkeren baseren we vanaf 2019 op de gemiddelde realisatie van 2015 en 2016. We ramen een meeropbrengst van € 235.000. Dit betreft een autonome ontwikkeling zonder aanpassingen in tarief, tijdvenster e.d.. Uit de meeropbrengst dekken we de kapitaallasten van de investeringen vanaf 2018 (die een relatie hebben met het parkeren). Per saldo levert dit een ruimte op voor de begroting van € 120.000.

Verfraaiing dorpsentrees
In de begroting 2017 is een eenmalig budget van € 100.000 en een structureel onder-houdsbudget van € 65.000 beschikbaar gesteld voor de verfraaiing van de dorpsentrees. Bij de uitwerking van de plannen blijkt dat we het onderhoudsbudget kunnen verlagen met € 40.000 vanaf 2018.

Samenwerking belastingen
Door een wijziging in de verdeelsleutel en een herziening van de afspraken over de overheadvergoeding daalt de bijdrage aan de samenwerking belastingen. Ten opzichte van de raming in de begroting geeft dit een ruimte van € 50.000.

Rente vaste geldleningen
In de 1e bestuursrapportage 2017 is gerapporteerd dat een bedrag van € 75.000 aan rente van geldleningen niet goed is verwerkt. Dit werkt structureel door en nemen we nu mee in de kadernota.

1.3 Meerjarenperspectief 2018-2021

1.3 Meerjarenperspectief 2018-2021

De meerjarenramingen voor 2018 tot en met 2021 zijn geactualiseerd op basis van de uitgangspunten in paragraaf 1.2. Het resultaat hiervan geeft in de volgende tabel het saldo op basis van de uitgangspunten (A). Voor een specificatie zie bijlage I.

Ook hebben we de prioriteitenplanning geactualiseerd op grond van bestaand beleid, autonome ontwikkelingen en bestaande afspraken. De nieuwe prioriteitenplanning is opgenomen als bijlage II. Een inhoudelijke toelichting op de wijzigingen treft u hierna aan in hoofdstuk 2 (uitvoeringsprogramma 2018 - 2021).

De financiële gevolgen van de prioriteiten splitsen we in:

  1. Structurele lasten, bestaande uit hogere exploitatie uitgaven en kapitaallasten (rente en afschrijving) van investeringen;
  2. Incidentele lasten, te dekken uit incidentele ruimte.

Het resultaat van onderdeel I (structurele lasten) is als volgt. 

 

2018

2019

2020

2021

Saldo meerjarenramingen 2018 - 2021

172

207

219

219

Mutatie inkomsten

1.018

1.312

1.337

1.285

 Mutatie uitgaven

-237

-253

-339

-262

  1. Saldo op basis van uitgangspunten

781

1.059

998

1.023

 

Uitvoeringsprogramma 2018 - 2021

Prioriteiten (structureel)

-611

-695

-812

-917

 

      B. Saldo 2018 - 2021 (structureel)

170

 364

 186

106

Tabel 5: kadernota 2018 - 2021 (x € 1.000)

 

Alle in het uitvoeringsprogramma tot en met 2021 opgevoerde prioriteiten kunnen we uitvoeren en financieel dekken. Er ontstaat zelfs een overschot  (zie tabel 5). Dit resultaat willen we op dit moment handhaven en reserveren voor onvoorziene zaken bij het opstellen van de begroting. Hierbij denken we o.a. aan bijstellingen in de ramingen van prioriteiten.
Ook moeten we nog rekening houden met de gevolgen van een nieuwe CAO voor gemeenteambtenaren. De onderhandelingen hierover lopen nog. In de  uitgangspunten hebben we gerekend met 2% voor de stijging van werkgeverslasten. De uiteindelijke uitkomst zou hoger kunnen zijn. Elke stijging van 1% betekent ca. € 100.000.

Het resultaat van onderdeel II (incidentele lasten) is als volgt.
 

 

2018

2019

2020

2021

totaal

Uitvoeringsprogramma 2018-2021

         

Prioriteiten (incidenteel)

€ 1.784

€ 472

€ 239

€ 47

€ 2.542

      C. Saldo 2018 – 2021 (incidenteel)

€ 1.784

€ 472

€ 239

€ 47

€ 2.542

Tabel 6: kadernota 2018 - 2021 (x € 1.000)

In totaliteit plannen we ruim € 2,5 miljoen voor incidentele prioriteiten in de periode tot en met 2021. Het voorstel is om deze kosten te dekken uit de algemene reserve (€ 2.357.000), de reserve lokaal onderwijsbeleid (€ 150.000) en de reserve WMO/ Jeugd (€ 35.000). Het weerstandsvermogen biedt hiervoor voldoende ruimte.
Als we rekening houden met deze geplande uitgaven komt het weerstandsvermogen uit op een ratio van 4,9 in 2021, en dat is ruim boven de norm van 2. Zie ook hoofdstuk 1.2 (weerstandsvermogen).